Old Testament
Genesis Exodus Leviticus Numberi Deuteronomium Jozua Richtere Ruth 1 Samuël 2 Samuël 1 Koningen 2 Koningen 1 Kronieken 2 Kronieken Ezra Nehemia Esther Job Psalmen Spreuken Prediker Hooglied Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joël Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Zefanja Haggaï Zacharia MaleachiJob 25:6 Uitleg van het Bijbelvers
Job 25:6 Betekenis en uitleg van het Bijbelvers
Hoeveel te min de mens, die een made is, en des mensen kind, die een worm is!
Job 25:6 Bijbelcommentaar bij dit vers
*** Dit commentaar bevat materiaal uit klassieke bronnen die tot het publieke domein behoren. Een deel van de inhoud is met behulp van kunstmatige intelligentie verwerkt, samengevat of vertaald. Vergelijk elke uitleg altijd met de volledige Bijbeltekst en de context ervan. Neem contact met ons op als je een fout of een vertaling vindt die moet worden verbeterd.
Job 25:6 Kruisverwijzingen en verwante Bijbelteksten
Bekijk Bijbelteksten die door thema, onderwijs of context met dit vers verbonden zijn. Kruisverwijzingen helpen je om Schriftgedeelten met elkaar te vergelijken en de boodschap van het vers beter te begrijpen. Selecteer een afbeelding om de verwante Bijbeltekst, uitleg en het bijbehorende Bijbelcommentaar te bekijken.

Psalmen 22:6 (NLD) »
(22:7) Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

Jesaja 41:14 (NLD) »
Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israels!

Genesis 18:27 (NLD) »
En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben!
Job 25:6 — Interpreterend hoofdpunt
In dit korte vers toont het boek Job een diepe, platoonse toon van besef: de mens is zo gering in vergelijking met God dat zelfs de meest hoofdletters van menselijke trots verbleken. De uitdrukking “hoeveel te min de mens, die een made is, en des mensen kind, die een worm is” benadrukt de contingentie en vergankelijkheid van het menselijk bestaan, wat in de context van Elifaz’s rede staat als een tegenwicht tegen zelfrechtvaardiging.
Literaire context
Job 25 is één van de kortste en meest samenhangende polemieken in het boek. Bilduurt het gesprekje met Elifaz? Hier laat de spreker niet alleen de menselijke onreikwijdheid zien, maar ook de schepselsgezindheid van God: Hij zet de schepping tegenover de menselijke hoogmoed. In literair opzicht fungeert dit hoofdstuk als een contrast: de menselijkheid wordt weergegeven als iets onbeduidends, terwijl God onbekommerd supra-menselijk groot blijft.
Theologische betekenis
De kern ligt in het besef van vergankelijkheid en afhankelijkheid. De uitdrukking echoot de Bijbelse leer dat de mens niets op zichzelf kan doen in rechtvaardiging voor God. Het vers ijkt als een alarm tegen zelfverheffing en zet de focus op de aanbiddelijke God die de grenzen van menselijke waardigheid overstijgt. Dit sluit aan bij de bredere Thora- en Psalterische verkenning dat mens en schepping in zicht van een heilige, Almachtige staan.
Verbindingen met andere Schriftplaatsen
Toelichting bij deze verbindingen: Ze helpen begrijpen dat de boodschap in Job 25 geen angst voor de mens is, maar een aanwijzing tot nederigheid en afhankelijkheid, wat uiteindelijk leidt tot vertrouwen in God’s rechtvaardig heersen.
Kernvragen voor reflectie
Kernpunten en conclusie
Job 25:6 brengt een sobere, realistische kijk op de positie van de mens onder de majesteit van God. De mens, vergeleken met een “made” en een “worm”, wordt getekend als tijdelijk en afhankelijk. Tegelijk biedt dit vers een uitnodiging tot nederige aanbidding: erkenning van God’s onbegrensde majesteit en de menselijke afhankelijkheid daarvan. In de bredere Bijbelvisie is dit een gezond tegenwicht tegen zelfrechtvaardiging en een aanmoediging tot innerlijk vertrouwen in God’s raad en heerschappij.
Cross-referenties
Zie ook: verwante gedachten in Psalm 39:5-6, waarin de kortheid van het leven wordt benadrukt; en Eenvoudige lofzang in Job 40:4, waar Job leert over zijn eigen beperkte wijsheid tegenover God’s majesteit. Daarnaast wijst Jesaja 55:8-9 op de onvergelijkbaarheid van Gods weg tegenover menselijk begrip.
Citaat uit Matthew Henry (indien aanwezig): “Hoeveel te min de mens, die een made is.”
Citaat uit Albert Barnes (indien aanwezig): “De mens is een worm; dit drukt de armoede van menselijke verdienste uit.”
Citaat uit Adam Clarke (indien aanwezig): “De geringheid van de mens onderstreept de afstand tussen schepping en Schepper.”