Old Testament
Genesis Exodus Leviticus Numberi Deuteronomium Jozua Richtere Ruth 1 Samuël 2 Samuël 1 Koningen 2 Koningen 1 Kronieken 2 Kronieken Ezra Nehemia Esther Job Psalmen Spreuken Prediker Hooglied Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joël Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Zefanja Haggaï Zacharia MaleachiChapter
Exodus 1 Exodus 2 Exodus 3 Exodus 4 Exodus 5 Exodus 6 Exodus 7 Exodus 8 Exodus 9 Exodus 10 Exodus 11 Exodus 12 Exodus 13 Exodus 14 Exodus 15 Exodus 16 Exodus 17 Exodus 18 Exodus 19 Exodus 20 Exodus 21 Exodus 22 Exodus 23 Exodus 24 Exodus 25 Exodus 26 Exodus 27 Exodus 28 Exodus 29 Exodus 30 Exodus 31 Exodus 32 Exodus 33 Exodus 34 Exodus 35 Exodus 36 Exodus 37 Exodus 38 Exodus 39 Exodus 40



Exodus 1:1 — In herinnering: de namen der zonen van Israël die in Egypte kwamen
De vers opent met een lijst van de nakomelingen van Jakob die naar Egypte trekken, samen met hun gezinnen. Het legt de basis voor het verslag van de verplaatsing van Israël naar Egypte, waar God later een volk zal vormen.
Achtergrond en context
Dit vers volgt direct op de eindvers van Genesis, waarin de familietak van Jakob naar Egypte gaat vanwege hongersnood en voorspoed in het huis van Jozef. Het herinnert aan Gods zorg over de beloften aan Abraham, Isaäk en Jacob: Zijn volk is aanwezig in een vreemde land, maar niet vergeten. De opsomming «met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis» onderstreept de eenheid van het gezin en de continuïteit van het verbond.
Interpretatieve inzichten
Een kernpunt is de overgang van patriarchale namen naar een volksperspectief. De formulering legt de basis voor de ontwikkeling van Israëls identiteit als gemeenschap in Egypte, voordat het latere beknelde bestaan van slavernij zich ontvouwt. De rol van elk huis (haush, familiegeslacht) wijst op de structuur van een volk dat als gemeenschap en als genen volgt, niet slechts als individuele migranten.
Kernachticles in één oogopslag
Verwante passages en korte uitleg
Genesis 46:8-27 beschrijft de som van Jakobs nakomelingen in Egypte en de inlijving van 70 individuen, wat het begin illustreert van een groter volk. Deze verbinding laat zien hoe een familie uitgroeit tot een verzameling van stammen, die later het volk Israel worden.
Genesis 15:13-14 benadrukt Gods woord dat het volk eeuwenlang zal zijn in een vreemd land, maar uiteindelijk uit Egypteland zal terugkeren. Het vers in Exodus 1:1 zet deze belofte operationeel door de actualiteit van Israel’s aanwezigheid in Egypte te bevestigen.
Thematische samenvatting
- Familie en volk: van naamdragers naar een volk. - Goddelijke mogelijkheid te midden van vreemde heerschappij. - Eenheid door verbonden huizen als basis van toekomstig volksleven.
Praktisch inzicht
Hoewel de uittocht nog toekomst is, roept dit vers op tot vertrouwen dat Gods beloften gestalte krijgen, zelfs wanneer omstandigheden vreemd of vijandig lijken. Het moedigt geloof aan in de vaste aanwezigheid van God naast Zijn volk, ook in tijden van onzekerheid.
Opmerkelijke overeenkomsten met oudere commentaartradities: Matthew Henry benadrukt vaak dat de naamgeving en genealogische opsomming de trouw van Gods verbond tonen; Albert Barnes wijst op de volledigheid van de expansie van Israël als volk, en Adam Clarke wijst op de ontwikkeling van een gezin tot een nationaal volk onder Gods voorzienigheid. Toelichtingen uit deze stemmen helpen de tekst te plaatsen in het bredere verloop van de belofte en uittocht, zonder af te wijken in theologische disputen.
Kruisverwijzingen: Genesis 46:3-4 (Gods direct spreken aan Jakob over Egypte); Genesis 45-47 (toegenomen aanwezigheid en regie in Egypte); Exodus 12:37-38 (het begin van de uittocht, voortbouwend op het verhaal van de nakomelingen in Egypte).
Toepassing: De tekst leert ons dat het God is die het pad van Zijn volk bepaalt, ook wanneer zij zich in vreemde gronden bevinden. Vertrouw op Zijn plan en herinner de verbondenheid van de familie als de kern van wat later uitgroeit tot een volk.