Old Testament
Genesis Exodus Leviticus Numberi Deuteronomium Jozua Richtere Ruth 1 Samuël 2 Samuël 1 Koningen 2 Koningen 1 Kronieken 2 Kronieken Ezra Nehemia Esther Job Psalmen Spreuken Prediker Hooglied Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joël Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Zefanja Haggaï Zacharia MaleachiChapter
Handelingen 1 Handelingen 2 Handelingen 3 Handelingen 4 Handelingen 5 Handelingen 6 Handelingen 7 Handelingen 8 Handelingen 9 Handelingen 10 Handelingen 11 Handelingen 12 Handelingen 13 Handelingen 14 Handelingen 15 Handelingen 16 Handelingen 17 Handelingen 18 Handelingen 19 Handelingen 20 Handelingen 21 Handelingen 22 Handelingen 23 Handelingen 24 Handelingen 25 Handelingen 26 Handelingen 27 Handelingen 28Verse
Handelingen 2:1 Handelingen 2:2 Handelingen 2:3 Handelingen 2:4 Handelingen 2:5 Handelingen 2:6 Handelingen 2:7 Handelingen 2:8 Handelingen 2:9 Handelingen 2:10 Handelingen 2:11 Handelingen 2:12 Handelingen 2:13 Handelingen 2:14 Handelingen 2:15 Handelingen 2:16 Handelingen 2:17 Handelingen 2:18 Handelingen 2:19 Handelingen 2:20 Handelingen 2:21 Handelingen 2:22 Handelingen 2:23 Handelingen 2:24 Handelingen 2:25 Handelingen 2:26 Handelingen 2:27 Handelingen 2:28 Handelingen 2:29 Handelingen 2:30 Handelingen 2:31 Handelingen 2:32 Handelingen 2:33 Handelingen 2:34 Handelingen 2:35 Handelingen 2:36 Handelingen 2:37 Handelingen 2:38 Handelingen 2:39 Handelingen 2:40 Handelingen 2:41 Handelingen 2:42 Handelingen 2:43 Handelingen 2:44 Handelingen 2:45 Handelingen 2:46 Handelingen 2:47



Handelingen 2:24 (NLD) uitgelegd
Deze versregel maakt deel uit van Petrus’ preek aan het Pinksterfestijn, waarin hij uitlegt dat Jezus door God is opgewekt uit de dood. Het woord “Welken God opgewekt heeft” wijst op de actieve hand van God in het vervangen van het grafleed door nieuw leven. De uitspraak volgt op het benadrukken van de dood en het lijden van Christus, maar benadrukt juist Zijn overwinning: God heeft Hem uit de dood opgestaan, zodat de macht van de dood geen hou vast kan krijgen.
Kernbetekenis
Het centrale doel van deze zin is om te laten zien dat de opstanding van Jezus geen menselijke improvisatie was, maar Gods plan in actie. Door Hem uit de dood op te wekken, heeft God de gave van verlossing en hoop beschikbaar gemaakt aan alle mensheid. Dit onderstreept dat Christus’ bestaan en overwinning niet controversieel of tijdelijk zijn, maar doelmatig en definitief.
Drie hoofdthema's
Verwant bijbelgedeelten
- Romeinen 6:9 legt uit dat Christus in de dood stierf en wederopstanding heeft, zodat de macht van de zonde en de dood wordt uiteengezet. - 1 Korintiërs 15:20-22 bevestigt dat Christus de eerste van de verloren zaden is die uit de doden opstaat, waardoor ook velen zullen opstaan. - Jesaja 53:8-10 wijst op de rechtvaardige die door lijden heen wordt verlost en uiteindelijk door God wordt opgevat in gerechtigheid.
Praktische overweging
De opstanding geeft vandaag nog troost: levenskringen en doodsangst hoeven niet het laatste woord te hebben. Gelovigen worden herinnerd aan een toekomst waarin het kwaad is overwonnen en de hoop op volkomen vernieuwing standhoudt. In het geloof dit komende leven en de eeuwigheid centraal stellen, helpt om te wandelen in vertrouwen en vreze voor God.
Korte samenvatting
Handelingen 2:24 beveelt ons te zien dat Jezus’ opstanding een goddelijke daad is die de dood doorbreekt en de deur opent naar verlossing en hoop voor allen die in Hem geloven. Het is een bevestiging van Gods plan en van het uiteindelijke overwinningswerk van Christus.
Kerninzichten uit klassieke commentaar
Matthew Henry benadrukt vaak dat de opstanding de bevestiging is van Christus’ rechtvaardigheid en Gods welbehagen in Hem. Albert Barnes wijst op de onveranderlijke zekerheid die uit de opstanding voortvloeit als fundament voor het evangelie. Adam Clarke onderstreept dat de opstanding niet slechts een gebeurtenis is, maar een getuigenis van Gods macht en het begin van een nieuw leven voor de gelovigen. Een vierde gezaghebbende commentator (publieke domein) noemt type- en vervullingsperspectieven, waarin het opstaan als vervulling van profetieën wordt gepositioneerd.
Cross-referenties: zie Romeinen 6:9; 1 Korintiërs 15:20-22; Jesaja 53:8-10 voor bredere verzekering van de opstanding als fundament van het christelijk geloof.