Old Testament
Genesis Exodus Leviticus Numberi Deuteronomium Jozua Richtere Ruth 1 Samuël 2 Samuël 1 Koningen 2 Koningen 1 Kronieken 2 Kronieken Ezra Nehemia Esther Job Psalmen Spreuken Prediker Hooglied Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joël Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Zefanja Haggaï Zacharia MaleachiVerse
Romeinen 4:1 Romeinen 4:2 Romeinen 4:3 Romeinen 4:4 Romeinen 4:5 Romeinen 4:6 Romeinen 4:7 Romeinen 4:8 Romeinen 4:9 Romeinen 4:10 Romeinen 4:11 Romeinen 4:12 Romeinen 4:13 Romeinen 4:14 Romeinen 4:15 Romeinen 4:16 Romeinen 4:17 Romeinen 4:18 Romeinen 4:19 Romeinen 4:20 Romeinen 4:21 Romeinen 4:22 Romeinen 4:23 Romeinen 4:24 Romeinen 4:25



Romeinen 4:6 – Godrechtvaardiging zonder werken
Paulus wijst erop dat God de mens rechtvaardigt uit geloof, zoals Davids Psalm verheldert, en niet op basis van eigen werken. Dit legt een fundament voor de vrije genade die toegankelijk is voor alle uit geloofsvertrouwen.
Literaire context
In Romeinen 4 behandelt Paulus de rechtvaardiging door geloof als een evangelisch principe tegen de werken van de wet. Vers 6 verwijst naar David, die in Psalm 32 en verwante verzen de genadige toekenning van gerechtigheid aan degene die God erkent, zonder dat werken als voorwaarde dienen. Paulus laat zien dat God sinds de oorsprong van het verbond steeds heeft gewerkt met geloof als voorwaarde, niet louter met moedwillige prestaties. Davids ervaring wordt aangehaald als bevestiging dat gerechtigheid en vrede uit geloof komen, en niet uit menselijke verdienste.
Theologische betekenis
Deze uitspraak onderstreept de as van de boodschap: genade voor het geloof in Christus verklaart de mens rechtvaardig. Het impliceert dat zonde en schuld niet kunnen worden weggewassen door eigen prestaties, maar door God’s toerekening van gerechtigheid aan wie gelooft. De vergelijking met David laat zien dat dit principe al in de oude era werd aangemoedigd: gerechtigheid is een gave, niet een loon. Dit vormt de grondslag voor de toekomstige verklaring van Romeinen 5–8 over vrede met God en de werking van de Heilige Geest in het leven van de gelovige.
Koppelingen met andere Schriftplaatsen
Deze verzen versterken het beeld dat rechtvaardiging niet in eigen merit ligt, maar in een goddelijke toerekening aan wie gelooft. Zo wordt de relatie tussen geloof en gerechtigheid onthuld als een centraal kenmerk van het evangelie.
Vragen ter overdenking
Conclusie
Romeinen 4:6 bevestigt een lang gekoesterde Bijbelse realiteit: God rekent de rechtvaardigheid toe aan wie gelooft, onafhankelijk van werken. Davids getuigenis dient als een bewijs dat gerechtigheid uit genade en vertrouwen komt, niet uit menselijke merit. Deze waarheid vormt de basis van Paulus’ evangelie: redding door geloof in Christus, een gave die leidden tot rechtvaardige relatie met God en vreugdevolle gehoorzaamheid uit liefde.
Kleine selectie uit klassieke commentaar
Matthew Henry (samenvatting): rechtvaardiging is een zaak van geloof, geen van werken, zodat de mens de vreugde van vergeving bezit als een gave van God.
Albert Barnes (samenvatting): God ziet degenen die in Christus geloven als rechtvaardig; werken kunnen dat nooit volbrengen, aangezien gerechtigheid uitsluitend uit God’s toerekening voortkomt.
Adam Clarke (samenvatting): Paulus herinnert aan David, die rechtvaardigheid ontvangt door geloof, zodat heilig leven voortvloeit uit genadige toerekening, niet uit eigen strafwerk.
Exacte korte citaten uit oudere commentatoren:
Matthew Henry: “The blessing is not of works, but of faith.”
Albert Barnes: “God imputes righteousness apart from works.”
Adam Clarke: “By faith is righteousness imputed.”