Old Testament
Genesis Exodus Leviticus Numberi Deuteronomium Jozua Richtere Ruth 1 Samuël 2 Samuël 1 Koningen 2 Koningen 1 Kronieken 2 Kronieken Ezra Nehemia Esther Job Psalmen Spreuken Prediker Hooglied Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joël Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Zefanja Haggaï Zacharia MaleachiChapter
Spreuken 1 Spreuken 2 Spreuken 3 Spreuken 4 Spreuken 5 Spreuken 6 Spreuken 7 Spreuken 8 Spreuken 9 Spreuken 10 Spreuken 11 Spreuken 12 Spreuken 13 Spreuken 14 Spreuken 15 Spreuken 16 Spreuken 17 Spreuken 18 Spreuken 19 Spreuken 20 Spreuken 21 Spreuken 22 Spreuken 23 Spreuken 24 Spreuken 25 Spreuken 26 Spreuken 27 Spreuken 28 Spreuken 29 Spreuken 30 Spreuken 31Verse
Spreuken 22:1 Spreuken 22:2 Spreuken 22:3 Spreuken 22:4 Spreuken 22:5 Spreuken 22:6 Spreuken 22:7 Spreuken 22:8 Spreuken 22:9 Spreuken 22:10 Spreuken 22:11 Spreuken 22:12 Spreuken 22:13 Spreuken 22:14 Spreuken 22:15 Spreuken 22:16 Spreuken 22:17 Spreuken 22:18 Spreuken 22:19 Spreuken 22:20 Spreuken 22:21 Spreuken 22:22 Spreuken 22:23 Spreuken 22:24 Spreuken 22:25 Spreuken 22:26 Spreuken 22:27 Spreuken 22:28 Spreuken 22:29



Spreuken 22:16 (NLD)
Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek. Dit vers brengt een duidelijke boodschap over rechtvaardigheid en de vergeving van zachtaardige rekening. Spreuken 22:16 wijst op het einde van wie misbruik maakt van ongerechtvaardigde macht: het onderdrukken van de arme om eigen voordeel te vergroten, of het geven vanuit hoogmoed of gemakszucht, zal uiteindelijk leiden tot gebrek en bezoeking. Het is een waarschuwing tegen oneerlijke handelswijze en sociale onrechtvaardigheid, terwijl het tegelijkertijd de houding van de mens ten opzichte van rijkdom en afhankelijkheid bekijkt.
In Spreuken 22 vormen aansporingen tot rechtvaardig handelen en het vermijden van morele dwaasheid een hoofdthema. Het hoofdstuk adresseert vooral hoe men moet omgaan met geld, status en relaties. Het vers contrasteert vormen van uitbuiting (armen onderdrukken) met vormen van eigentijdse genoegdoening (rijk geven) en legt de nadruk op de morele consequenties daarvan.
De kern van dit vers is dat wanneer men de zwakkeren uitbuit of zich verrijkt ten koste van anderen, de schepping Gods rechtvaardigheid afstand neemt en men uiteindelijk zelf verlies lijdt. Waar rijkdom en geven in eerlijke zin worden toegepast, kan zegen en stabiliteit volgen; uitbuiting brengt vergankelijkheid en gebrek.
Deze kruisverbanden benadrukken dat sociale onrechtvaardigheid en het misbruik van macht moreel ernstig zijn, terwijl waar en rechtvaardig geven een vreedzame en gezegende samenleving bevordert.
In het dagelijks leven geldt: handel met integriteit, help de zwakken, en laat rijkdom niet leiden tot koude berekening ten koste van anderen. Wie handelt vanuit eerlijkheid, groeit in vertrouwen en Gods zegen; wie onderdrukt en misbruikt, loopt risico op verlies, reputatie en uiteindelijke verantwoording. De nazorg van dit vers is een uitnodiging tot wederkerig respect en zorg voor de gemeenschap.
Spreuken 22:16 legt een deur open tussen het rechtvaardig omgaan met geld en macht, en de natuurlijke gevolgen van uitbuiting. Met wijsheid leert men dat onderdrukking van de armen en het louter verzamelen ten koste van anderen uiteindelijk zal leiden tot gebrek en verlies, terwijl oprecht geven, naar rechtvaardigheid enCompassie, een betere, duurzamere vrucht draagt.
Toelichting op mogelijke citaten uit oude commentaren (indien beschikbaar): Matthew Henry en Adam Clarke behandelen beide dat het voordeel voor de armen en de zwakken centraal staat, en dat oneerlijke verrijking zonder godsvrucht uiteindelijk geen lasting voordeel brengt. Een korte uiting van Clarke resoneert: “Material riches are a trust and not a possession to be used without conscience.”