Old Testament
Genesis Exodus Leviticus Numberi Deuteronomium Jozua Richtere Ruth 1 Samuël 2 Samuël 1 Koningen 2 Koningen 1 Kronieken 2 Kronieken Ezra Nehemia Esther Job Psalmen Spreuken Prediker Hooglied Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joël Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Zefanja Haggaï Zacharia MaleachiChapter
Genesis 1 Genesis 2 Genesis 3 Genesis 4 Genesis 5 Genesis 6 Genesis 7 Genesis 8 Genesis 9 Genesis 10 Genesis 11 Genesis 12 Genesis 13 Genesis 14 Genesis 15 Genesis 16 Genesis 17 Genesis 18 Genesis 19 Genesis 20 Genesis 21 Genesis 22 Genesis 23 Genesis 24 Genesis 25 Genesis 26 Genesis 27 Genesis 28 Genesis 29 Genesis 30 Genesis 31 Genesis 32 Genesis 33 Genesis 34 Genesis 35 Genesis 36 Genesis 37 Genesis 38 Genesis 39 Genesis 40 Genesis 41 Genesis 42 Genesis 43 Genesis 44 Genesis 45 Genesis 46 Genesis 47 Genesis 48 Genesis 49 Genesis 50Verse
Genesis 49:1 Genesis 49:2 Genesis 49:3 Genesis 49:4 Genesis 49:5 Genesis 49:6 Genesis 49:7 Genesis 49:8 Genesis 49:9 Genesis 49:10 Genesis 49:11 Genesis 49:12 Genesis 49:13 Genesis 49:14 Genesis 49:15 Genesis 49:16 Genesis 49:17 Genesis 49:18 Genesis 49:19 Genesis 49:20 Genesis 49:21 Genesis 49:22 Genesis 49:23 Genesis 49:24 Genesis 49:25 Genesis 49:26 Genesis 49:27 Genesis 49:28 Genesis 49:29 Genesis 49:30 Genesis 49:31 Genesis 49:32 Genesis 49:33



Genesis 49:17 — Een slang langs den weg
Directe betekenis: Jacob beschrijft Dan als een slang die in het pad ligt, een adderslang naast het pad, die de rijder op het paard bijt en hem doet vallen. De zin symboliseert een onverwachte, wrede verleiding of hinder die plotseling iemand kan treffen terwijl hij onderweg is.
Contextueel kader
Dit vers is onderdeel van Jozua’s zegeningen aan de zonen der אופ, waar Jacob de kenmerken van elk kind beschrijft naarmate zij zijn sterfbed benaderen. Dan, tweede zoon van Bilha, wordt hier bekritiseerd of geprofileerd als iemand met een gevaarlijk, sluipend karakter. De korte, krachtige afbeelding van een slang benadrukt wendingen in het leven van Daniël’s erfgenamen: iemand die op onverwachte wijze de gang van zaken kan dwarsbomen.
Interpretatieve lessen
Verwijzingen en vergelijkingen (korte uitleg)
- Exodus 4:2–3; Jakobus 3:13–18: beide passages spreken over listige wendingen of de gevaarlijke consequenties van een hart vol bedriegelijkheid.
- Spreuken 23:31–32: waarschuwing voor de vergankelijke verleidingen van drank en het dragen van verleidelijke onschuld die uiteindelijk gevaarlijk blijkt.
- 2 Samuel 23:21; Spreuken 26:11: herhaalde beelden van terugkerende dwaasheid die als een slang terugkomt om schade te veroorzaken.
Thematische kernpunten
Gekozen commentaar-inzichten (samengevat)
Uit de klassieke commentarieren onthou ik dat Matthew Henry de zinsnede zou zien als een waarschuwing tegen verleidingen die sluimerend op de weg staan; Albert Barnes benadrukt de sluwe werking van een verstopt gevaar dat plotseling schade kan veroorzaken; Adam Clarke bekijkt de afbeelding als een beeld van obstakels die de voortgang van het volk kunnen belemmeren. Voorzichtigheid in het reizen door het leven is daarom essentieel, en anticiperen op listige invloeden helpt verlies en val te voorkomen.
Korte praktische toepasbare conclusie
Laat deze zinswandeling van Dan ons aanmoedigen tot waakzaamheid: dat wij niet blindelings vooruit gaan, maar bidend en beleidvol handelen bij advies en bijv. mensen die onvermoed schade kunnen veroorzaken.