Old Testament
Genesis Exodus Leviticus Numberi Deuteronomium Jozua Richtere Ruth 1 Samuël 2 Samuël 1 Koningen 2 Koningen 1 Kronieken 2 Kronieken Ezra Nehemia Esther Job Psalmen Spreuken Prediker Hooglied Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joël Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Zefanja Haggaï Zacharia MaleachiChapter
Genesis 1 Genesis 2 Genesis 3 Genesis 4 Genesis 5 Genesis 6 Genesis 7 Genesis 8 Genesis 9 Genesis 10 Genesis 11 Genesis 12 Genesis 13 Genesis 14 Genesis 15 Genesis 16 Genesis 17 Genesis 18 Genesis 19 Genesis 20 Genesis 21 Genesis 22 Genesis 23 Genesis 24 Genesis 25 Genesis 26 Genesis 27 Genesis 28 Genesis 29 Genesis 30 Genesis 31 Genesis 32 Genesis 33 Genesis 34 Genesis 35 Genesis 36 Genesis 37 Genesis 38 Genesis 39 Genesis 40 Genesis 41 Genesis 42 Genesis 43 Genesis 44 Genesis 45 Genesis 46 Genesis 47 Genesis 48 Genesis 49 Genesis 50Verse
Genesis 35:1 Genesis 35:2 Genesis 35:3 Genesis 35:4 Genesis 35:5 Genesis 35:6 Genesis 35:7 Genesis 35:8 Genesis 35:9 Genesis 35:10 Genesis 35:11 Genesis 35:12 Genesis 35:13 Genesis 35:14 Genesis 35:15 Genesis 35:16 Genesis 35:17 Genesis 35:18 Genesis 35:19 Genesis 35:20 Genesis 35:21 Genesis 35:22 Genesis 35:23 Genesis 35:24 Genesis 35:25 Genesis 35:26 Genesis 35:27 Genesis 35:28 Genesis 35:29



In Genesis 35:11 spreekt God tot Jacob nadat hij terugkeert naar Betel en de plek van Gods verschijningen opnieuw ontmoet. De woorden volgen op Gods bevestiging van Abraham en Isaaks beloften, en markeren een inauguratie van de lijn waardoor het volk Israël, koningen en grote zegeningen zullen voortkomen. God stelt Zich voor als de Almachtige, een akt te midden van Goddelijke autoriteit en zorg. Deze tekst bevestigt Gods vaste toezegging aan de aartsvaders en geeft richting aan het toekomstige volk Israël.
God belooft niet slechts zegen, maar een generatieve, wereldvormende lotsverbinding: vruchtbaarheid, vermenigvuldiging en koninklijke afstamming uit Jakobs line. De nadruk op “Ik ben God de Almachtige” onderstreept Gods onbeperkte macht en trouw aan Zijn verbond. Dit is niet alleen een biologische belofte, maar een roeping tot vertrouwen en gehoorzaamheid die de toekomst van het volk bepaalt.
– Genesis 28:14: De doorgang van het verbond via Jakob; belijdenis van een groot aantal nakomelingen. Een korte gedachte: Gods woord blijft doorgaan, ondanks drie-generatieperikelen.
– Genesis 12:2-3: Aan Abraham beloften van een groot volk en zegen; dit toont de continuïteit van Gods plan door de generaties heen.
– 2 Samuel 7:12-16: De koninklijke belofte in een latere context bevestigt hoe Gods belofte zich uitstrekt tot koningschap en davidsdynastie, terwijl de wortels in het aartsvaderlijk verbond blijven.
Vooruitkijkend naar Gods plannen, mogen wij leren vertrouwen op Zijn almacht en trouw, zelfs als de tijd lang lijkt. De zegen van een volkomen volk en koningen wijst op de roeping om een leven te leiden dat Gods tekort aan geen genade laat. Verstilling en geloof in Gods belofte kunnen richting geven aan ons eigen pad van geloof en gehoorzaamheid.
Genesis 35:11 bevestigt Gods Machtige Naam en Zijn verbondsgestuurde belofte: vruchtbaarheid, vermenigvuldiging en koninklijke afstamming uit Jakob. Het roept op tot vertrouwen in Gods plan en toewijding aan Zijn weg, terwijl de geschiedenis van Israël doorgaat en zich uitstrekt naar toekomstverwachtingen.
Cross-referenties bieden verbindingen met de belofte-geschiedenis van het verbond (Gen. 12, 28) en de latere koninklijke lijn (2 Sam. 7). Deze passages helpen om de consistente toon van Gods verbond door de generaties heen te zien, zonder de specifieke verzen letterlijk te herhalen.
Quoteringen van oude commentatoren (indien van toepassing):
Matthew Henry, Albert Barnes en Adam Clarke worden genoemd voor relevantie. Eventuele exacte korte citaten worden slechts genoemd wanneer beschikbaar en passend in deze vertaling.