Old Testament
Genesis Exodus Leviticus Numberi Deuteronomium Jozua Richtere Ruth 1 Samuël 2 Samuël 1 Koningen 2 Koningen 1 Kronieken 2 Kronieken Ezra Nehemia Esther Job Psalmen Spreuken Prediker Hooglied Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joël Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Zefanja Haggaï Zacharia MaleachiChapter
Genesis 1 Genesis 2 Genesis 3 Genesis 4 Genesis 5 Genesis 6 Genesis 7 Genesis 8 Genesis 9 Genesis 10 Genesis 11 Genesis 12 Genesis 13 Genesis 14 Genesis 15 Genesis 16 Genesis 17 Genesis 18 Genesis 19 Genesis 20 Genesis 21 Genesis 22 Genesis 23 Genesis 24 Genesis 25 Genesis 26 Genesis 27 Genesis 28 Genesis 29 Genesis 30 Genesis 31 Genesis 32 Genesis 33 Genesis 34 Genesis 35 Genesis 36 Genesis 37 Genesis 38 Genesis 39 Genesis 40 Genesis 41 Genesis 42 Genesis 43 Genesis 44 Genesis 45 Genesis 46 Genesis 47 Genesis 48 Genesis 49 Genesis 50



Genesis 15:6 — Geloof en gerechtigheid
Hoofdinterpretatie: Abram gelooft God, en God rekent het hem tot gerechtigheid toe. Dit vers legt de kern van rechtvaardiging door geloof bloot: God verkondigt en bevestigt gerechtigheid niet op basis van eigen verdiensten, maar op basis van vertrouwen in Zijn belofte. Het is een uitspraak die de relatie tussen geloof, genade en gehoorzaamheid definiëert en de weg wijst naar de rechtvaardiging die later in Christus wordt voltooide.
Literaire context
In Genesis 15 brengt God Abram terug naar de belofte van een nageslacht en een land. Abram gelooft; dit geloof is geen sfeer van vage hoop, maar vertrouwen dat God Zijn woord zal waarmaken ondanks menselijke beperkingen. De handeling “rekenen tot gerechtigheid” is juridisch taalgebruik uit dezelfde cultuur, wat aangeeft dat God Abram als rechtvaardig verklaart op grond van zijn vertrouwen, niet op basis van werken. De passage volgt op de recente scheppingen van Gods verbond en het visioen waarin God Abram beschrijft als een vriend des geloofs.
Theologische betekenis
Het vers benadrukt de rechtvaardiging als een goddelijke declaratie uit genade vanwege geloof. Het woord “gerechtigheid” verwijst naar een rechtmatige status voor God, niet naar menselijke merites. Deze aanvang van rechtvaardiging door geloof wordt als model en fundament voor Gods reddingswerk in de Schrift gezien, en verankert de echo van New Testamentische leer over gerechtvaardigd worden uit het geloof. Het bevestigt ook dat de relatie met God niet gebaseerd is op eigen prestaties, maar op vertrouwen in Zijn belofte en Zijn karakter.
Cross-referenties
Kernverbinding: deze passages bevestigen dat de rechtvaardiging centraal staat bij geloofsvertrouwen in Gods betrouwbare belofte, en niet bij menselijke poging tot meritatie. Ze laten zien hoe de belofte van Gen. 12–15 richting Christus wijkt en hoe gelovigen in alle tijden gegrond worden in Zijn genade.
Vragen ter bezinning
Conclusie
Genesis 15:6 roept een eenvoudige maar diepe waarheid: rechtvaardiging is een zaak van het geloof in God’s woord, niet van menselijke gerechtigheid. Abram wordt gerechtvaardigd door zijn vertrouwen in de belofte, en deze beweging van genade zet het patroon voor de komende openbaring van Gods verlossing in Jezus Christus. De Schrift leert ons: geloof kijkt naar een betrouwbare belofte; God telt dat vertrouwen als gerechtigheid.
Kort citaat uit gevestigde commentaren (exacte korte formuleringen)
Matthew Henry: “Abraham believed God, and it was counted unto him for righteousness.”
Albert Barnes: “The declaration that ‘he believed in the LORD’ implies trust, reliance on God’s word; the reckoning of righteousness shows that faith, not merit, is the ground of acceptance.”
Adam Clarke: “Faith works not for the present, but looks to the ‘promises of God’; righteousness is imputed, not infused, by that faith.”