Old Testament
Genesis Exodus Leviticus Numberi Deuteronomium Jozua Richtere Ruth 1 Samuël 2 Samuël 1 Koningen 2 Koningen 1 Kronieken 2 Kronieken Ezra Nehemia Esther Job Psalmen Spreuken Prediker Hooglied Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joël Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Zefanja Haggaï Zacharia MaleachiChapter
Handelingen 1 Handelingen 2 Handelingen 3 Handelingen 4 Handelingen 5 Handelingen 6 Handelingen 7 Handelingen 8 Handelingen 9 Handelingen 10 Handelingen 11 Handelingen 12 Handelingen 13 Handelingen 14 Handelingen 15 Handelingen 16 Handelingen 17 Handelingen 18 Handelingen 19 Handelingen 20 Handelingen 21 Handelingen 22 Handelingen 23 Handelingen 24 Handelingen 25 Handelingen 26 Handelingen 27 Handelingen 28Verse
Handelingen 7:1 Handelingen 7:2 Handelingen 7:3 Handelingen 7:4 Handelingen 7:5 Handelingen 7:6 Handelingen 7:7 Handelingen 7:8 Handelingen 7:9 Handelingen 7:10 Handelingen 7:11 Handelingen 7:12 Handelingen 7:13 Handelingen 7:14 Handelingen 7:15 Handelingen 7:16 Handelingen 7:17 Handelingen 7:18 Handelingen 7:19 Handelingen 7:20 Handelingen 7:21 Handelingen 7:22 Handelingen 7:23 Handelingen 7:24 Handelingen 7:25 Handelingen 7:26 Handelingen 7:27 Handelingen 7:28 Handelingen 7:29 Handelingen 7:30 Handelingen 7:31 Handelingen 7:32 Handelingen 7:33 Handelingen 7:34 Handelingen 7:35 Handelingen 7:36 Handelingen 7:37 Handelingen 7:38 Handelingen 7:39 Handelingen 7:40 Handelingen 7:41 Handelingen 7:42 Handelingen 7:43 Handelingen 7:44 Handelingen 7:45 Handelingen 7:46 Handelingen 7:47 Handelingen 7:48 Handelingen 7:49 Handelingen 7:50 Handelingen 7:51 Handelingen 7:52 Handelingen 7:53 Handelingen 7:54 Handelingen 7:55 Handelingen 7:56 Handelingen 7:57 Handelingen 7:58 Handelingen 7:59 Handelingen 7:60



Handelingen 7:47 — “En Salomo bouwde Hem een huis.”
Directe betekenis: De hedendaagse lezer wordt herinnerd aan de menselijk teken van Gods aanwezigheid: Salomo bouwde een huis, een tempel, waar God onder de aardse omhulling kon wonen tussen Israël. Het vers markeert een overgang in Handelingen 7 waar Stefanos het goddelijke doel van de tempel benadrukt: niet de stenen, maar de Heer zelf is de ware woning van zijn volk.
Context en achtergrond
In Handelingen 7 geeft Stefanus een historisch overzicht van Gods werken met Israël, gericht op de mislukking van het volk om in vertrouwen op God te wandelen. Na de uittocht en de wijding van het tabernakel in de woestijn, werd een meer vaste woning gezocht in Jeruzalem. Salomo’s bouw van de tempel symboliseert een periode van georganiseerde eredienst en centrale verantwoording van de aanbidding. Desondanks onderstreept Stefanus hier dat God niet in huizen blijve, maar in gemeenschap met het volk woont door Zijn Geest.
Interpretatieve notities
- De tempel als middel, niet als maatstaf: Salomo bouwde een prachtig huis als teken van God’s aanwezigheid, maar Stefanus leert dat God groter is dan het tempelgebouw. De kern van godsdienst gaat over relatie met God, en niet om stenen constructies.
- Een moment van herinnering aan davids belijden: Salomo’s tempelverhaal volgt op de belijdenis van God’s volk onder Abraham en David. Het benadrukt dat God’s zegen en aanwezigheid uiteindelijk in Zijn beleid, beloften en Geestelijk huis te vinden zijn.
- Christologische richting: in de Nieuwe Testamentische lezingen zien we dat de volbrenging van Gods woning in Christus plaatsvindt. De tempel van Salomo wijst vooruit naar Jezus, Die zegt: “Wie in mij gelooft, woont in Mij en Ik in hem” — een volheid van aanwezigheid die verder gaat dan de stenen.
Kernpunten
Verbindende passages
- 1 Korintiërs 3:16-17: de mens als tempel van God; hoe de Geest in gelovigen woont, niet uitsluitend in stenen gebouwen.
- Joh. 2:19-21: Jezus’ verklaring over zijn lichaam als tempel, wat naar zijn opstanding en geestelijke woonplaats verwijst.
- 2 Korintiërs 6:16: God woont in jullie en wandelt onder jullie; nadruk op de relatie met God eerder dan op gebouwen.
Toepassing
Laat trots op verleden tempels blijken, maar wees alert dat ware eredienst in hart en Geest plaatsvindt. Vraag jezelf af: waar vind ik Gods aanwezigheid – in het moment van gebed, in gemeenschap, in dienstbetoon aan de naaste? Vertrouw op Christus’ vervulling van Gods woning onder menselijke schepping en leef in een voortdurende relatie met Hem.